Algemeenheden hoofd
KRITIEK OVER HET HOOFD MET ENKELE VEEL VOORKOMENDE GEBREKEN


INLEIDING:

In het meest ideale geval moet het hoofd, gezien vanuit elke hoek, in verhouding staan tot het lichaam.
Vanuit het oogpunt van balans is een overdreven groot of klein hoofd, een ernstig probleem.
Er moet hierbij genoteerd worden dat het hoofd bij dit ras niet het meest belangrijke is; het hoofd is kenmerkend, maar mag nooit buiten het totale beeld vallen.

HET IDEALE HOOFD:

VAN DE VOORKANT GEZIEN:

-        De ogen staan wijd uit elkaar, ze zijn groot maar niet uitpuilend of rond, zoals bij de Boston Terrier.
-        De afstand tussen de ogen is gelijk aan ongeveer 2x de breedte van één oog.
-        Bij de ogen is er een kenmerkende overgang van de voorsnuit naar het schedeldak.
-        Onder de oogrand is geen verbening of opvulling zichtbaar.
-        De voorsnuit is van een gemiddelde breedte, is afgerond aan de bovenkant en gaat geleidelijk over in gespierde wangen.
-        De wangspieren zijn fors en uitstekend.
-        De schedel is zichtbaar en vertoont grote spiergroepen.
-        De buitenkant van het oor loopt gelijk met de hoek van de schedel.
-        De lippen sluiten goed aan, zonder zichtbare verslapping.
-        De onderkaak is sterk.
-        De neus is zeker zwart.

VAN DE ZIJKANT GEZIEN:

-        Het hoofd heeft een duidelijk zichtbare stop (niet zo overdreven als bij een Boxer).
-        De spiergroepen zowel op de schedel als op de wangen zijn goed zichtbaar.
-        De snuitlengte bedraagt 1/3 van het totale hoofd.
-        De voorsnuit is niet stomp en niet typisch verkort zoals bij een Bulldog, of puntig zoals bij een Pinsher.
-        De onderkaak moet sterk zijn; de lippen sluiten en hangen niet.

DE GEHELE VORM VAN HET HOOFD moet nauwkeurig bestudeerd worden.
Een groot hoofd is niet vanzelfsprekend een goed hoofd.

VERSCHILLENDE PROBLEMEN DIE ZICH KUNNEN VOORDOEN:

-        Kleine spleetogen.
-        Licht gekleurde ogen.
-        Uitpuilende, te ronde ogen.
-        Scheelziendheid.
-        Een goede snuit, maar te weinig schedel- en wangspieren, geen diepte gevend aan het hoofd wanneer deze van de zijkant bekeken wordt.
-        Een te zware voorsnuit.
-        Losse of hangende lippen.
-        Een puntige of wigvormige voorsnuit (geen duidelijke stop tussen de schedel en de voorsnuit).
-        Geen zwarte neus.
-        Vulling onder de ogen.
-        Een overdreven grote hond (vergeleken met de standaard normen).